UITSLAG SCHRIJFWEDSTRIJD
er waren 3 finalisten &
3 verhalen met een eervolle vermelding

fOTO'S: kEN sTOFFELS FOTOGRAFIE

 MET Z'N 2EN OP REIS

Het was moeilijk kiezen, dat kan ik je verzekeren. Deze eerste schrijfwedstrijd, Met Z’n 2en Op Reis, had 15 inzendingen en het waren stuk voor stuk prachtige verhalen. Schrijvers waren buiten hun comfort zone gegaan, sommigen hadden zich laten inspireren door het nieuws, door iets in hun leven of door hun rijke fantasie. Het leverde juweeltjes op. En omdat er zoveel mooie verhalen waren, zijn er naast de drie finalisten ook drie andere verhalen die zeker het lezen waard zijn. Zij krijgen een eervolle en speciale vermelding omdat ze ontroerden en verrasten.

Nu had de jury (ik, dus) beloofd niet te veel op techniek te jureren, maar meer op de verhalen zelf en ik ben maar wát trots op alle de schrijvers die hebben meegedaan.

Want ga er maar aan staan: je krijgt 2 personages toegestuurd, hun relatie en hun reisbestemming. Daarmee schrijf je in minder dan 750 woorden je verhaal. En wie verzint jouw reisbestemming? Nou, een andere deelnemer.

Op 13 maart kwamen de deelnemers samen en het werd een geweldige middag waarbij de verhalen werden uitgewisseld - letterlijk; want wie de personages had verzonnen, kreeg het geschreven verhaal van de auteur zelf in de handen gedrukt. Zo ontstonden er inspirerende gesprekken en een heerlijke middag.

EERVOLLE VERLMELDING, de verhalen die raken

 

Op de vlucht - Sandra Israel (geschreven een dag voor het uitbreken van de oorlog in Oekraine)

Hij heeft zijn camera’s en lenzen uitgestald op de gebloemde sprei van het bed. Voor de naam van het hotel was hij gegaan, Forest House, want van hotels in Marioepol had hij geen weet. Opdrachten hadden hem naar alle uithoeken van de wereld gebracht, hij had samengewerkt met verschillende journalisten voor kranten en persbureaus. Maar hij was nog nooit in de Oekraïense havenstad geweest. Deze reis was nieuw, vreemd zelfs. Alsof hij ook ineens niet meer wist hoe hij zijn werk moest doen. Was het de oorlogsdreiging? Of was het de sfeer? Alsof er een sluier over de stad lag die zelfs de pasgevallen sneeuw veranderde in een grauwe massa. Of is het omdat Noa Boss en hij alles achter zich zullen laten en vanaf hier samen verder zullen gaan?

 

Tijdens een opdracht in New York leerden ze elkaar kennen. Haar ogen waren hem meteen opgevallen. Pas maanden later, toen ze er al verschillende keren samen voor een reportage op uit waren gestuurd, durfde hij te zeggen wat hij in die ogen zag. “Opgejaagdheid. Als een dier op de vlucht.” Noa had haar armen stevig om zijn nek geslagen en vanaf dat moment waren ze elkaar niet meer uit het oog verloren.

 

Reinier pakt zijn fototas weer zorgvuldig in. Dat rangschikken maakt hem doorgaans rustig, maar vandaag wakkert het de onrust alleen maar aan. De constante geweldsdreiging houdt hem nu al nachten uit zijn slaap. Maar ook het wachten op Noa maakt hem ongeduldig. Ze had nog een paar dagen nodig om thuis alles te regelen. Een gezin met twee jonge kinderen liet je niet zomaar achter. Maar ze was vastbesloten het op haar manier te doen. Geen omgangsregelingen, geen contact meer met de kinderen en familie. Heel rigoureus, maar dat was nodig, vond ze. Het was dit, of in haar eentje heimelijk verdwijnen.

“Ik wilde geen kinderen, maar Thomas drong aan,” had ze hem al eens toevertrouwd. “Het liefst had Thomas dat ik mijn werk als journalist eraan gaf en thuisbleef. Maar dat overleef ik niet. Mijn werk is mijn passie.”

Zijn situatie was net even anders. Iris en hij waren nog niet zo lang samen en er waren geen kinderen. Twee weken geleden had hij haar eindelijk over de plannen verteld. Iris had het kopje dat ze in haar hand had tegen de muur gesmeten. Toen hij de deur achter zich dichttrok, wist hij het: er is geen weg terug.

 

Om tien uur heeft hij een afspraak in het koffiehuis bij de haven. Noa had dit vanuit Nederland geregeld. Twee dagen geleden belde ze met de gegevens. Een zakelijk telefoongesprek.

“Het gaat om een man die zich samen met zijn 13-jarige zoon heeft aangesloten bij het burgerinitiatief. Ze trainen al ruim drie jaar met wapens.” Haar stem klonk mat.

Hij besluit om te voet richting de haven te gaan. Sneeuw ligt opgehoopt aan de kant van de weg. Diep weggedoken in hun winterjassen haast een handjevol mensen zich over straat. Hij kan het zich niet voorstellen hoe het is om hier te wonen. Hij heeft het wel proberen weer te geven in een reportage. In een buitenwijk van Marioepol ontmoette hij een moeder en haar twee kinderen. “De vluchtkoffer staat altijd klaar,” vertelde ze. Hij mocht hen fotograferen in het kleine appartement. Ze liet Reinier een koffertje zien vol kleding en speelgoed voor de kinderen. “Ik leef in angst,” zei de vrouw, terwijl ze met een snel gebaar de tranen van haar wangen wreef en de kinderen tegen zich aantrok. De reportage had de voorpagina gehaald.

 

Hij slaat de hoek om richting het koffiehuis. De straat is verlaten; de koude wind suist langs zijn oren. Het koffiehuis ziet er gesloten uit, maar als hij bijna bij de deur is, zwaait die open. Een man en jongen, die hij herkent van de foto die Noa hem had gestuurd, staan voor hem. “They've invaded.” De stem van de man galmt door de lege straat. Vader en zoon haasten zich de straat over en verdwijnen in een steeg.

Reinier kijkt de twee na. Zal hij ze achternagaan? Te groot risico misschien. Hij voelt de telefoon in zijn broekzak trillen. Dat zal het persbureau wel zijn met informatie over de situatie. Op de display ziet hij een onbekend nummer. Even twijfelt hij of hij het bericht zal openen. De nieuwsgierigheid wint het.     

                    

Lieve Reinier

Ik had het je beloofd, maar ik kan het niet. N.

 

Hij klikt het berichtje weg en beent met grote passen achter de mannen aan.

Fleur en Valentijn - Petra Knaapen

‘Sneller, Valentijn, sneller,’ gilt Fleur opgewonden.

De skelter kraakt en piept en door de plotselinge harde rukwind schieten ze opeens zo hard vooruit, dat zijn kleine beentjes de trappers niet kunnen bijhouden. 

‘Het lukt!’ roept de kleine Valentijn triomfantelijk naar zijn grote zus, die hem achterop de skelter stevig vasthoudt. Bij de volgende windvlaag worden ze meegezogen en vliegen ze door de lucht. Hoger en hoger, totdat ze boven de wolken uitkomen. Valentijn is buiten adem, maar hij houdt vol. Ingespannen trapt hij stug door en de wind giert zo hard dat zijn oren pijn doen. Maar niks kan hem tegenhouden, want hij moet zijn mama helpen. Gisteravond was ze weer zo verdrietig toen ze samen het lievelingsliedje hadden zongen van papa, voordat hij naar bed ging.

‘Ik zal voor je zorgen, mama,’ had hij gesnikt.

‘Ach lieverd, dat hoeft helemaal niet.’

Maar het verdriet van zijn mama, wil hij wegnemen en dus bedacht hij een plan.

Samen met zijn zus, want zij is al groot en weet de weg.

‘Zie je de hemel al?’ roept Fleur, terwijl haar paardenstaart wild voor haar ogen wappert.

Valentijn wil terugschreeuwen, maar dan komen ze met een knal tot stilstand, waardoor zijn zus in volle vaart tegen hem aanbotst.

Kaboem! Dreunt het na in zijn hoofd.

‘Wat is er gebeurd?’ Geschrokken stapt Fleur van de skelter en pakt Valentijn beet om hem te helpen. Met wiebelige benen staan ze op een grote zandhoop, met om zich heen een schouwspel van opruiend zand.  

‘Weet jij waar we zijn?’ piept Valentijn terwijl hij hard in de hand van zijn grote zus knijpt.

‘Nee,’ de tranen springen in haar ogen, maar dan ziet ze iets. ‘Kijk! Daar is iemand.’

Voordat Fleur iets kan zeggen rent Valentijn al richting de gedaante, dat een man blijkt te zijn en hun rustig op een bankje gadeslaat.

‘Meneer, zijn we in de hemel?’

Geamuseerd kijkt de oude man het tweetal aan, maar als hij hun gezichtjes goed bestudeerd ziet hij de ernst van de vraag in.

‘Ja meneer, kunt u ons vertellen waar onze papa is?’ doet Fleur ook een poging.

‘Waarom denken jullie dat dit de hemel is?’

‘Omdat we net heel hoog boven de wolken vlogen.’ Valentijn wijst met zijn kleine knuistjes omhoog en kijkt de man verwachtingsvol aan. De man is zo overrompeld door de onbevangenheid van de kleuter, dat hij even van zijn stuk is gebracht.

‘Tja, de hemel?’ mompelt de man, terwijl hij uitnodigend op het bankje klopt, waarna ze allebei er meteen opklimmen. ‘Waarom willen jullie daar zo graag naartoe?’

‘Om onze papa te halen,’ snikt Fleur. De puurheid van haar gezichtje raakt de man zo diep dat hij zijn tranen moet wegslikken. Hij denkt aan zijn vrouw, die hij al zo lang moet missen. Hoe lang is het geleden dat hij zijn handen door haar mooie lange haren heeft kunnen strijken?

‘Hij hoort bij ons en onze mama is zo verdrietig,’ fluistert de kleine jongen.

‘Maar weet je dat papa altijd bij jullie is? In je hartje?’ zegt de man en ondertussen bonkt hij met een vuist tegen zijn hart. ‘Als je maar veel aan hem denkt dan zal je hem ook kunnen voelen.’

Sprakeloos kijken ze hem aan en Valentijns lip begint te trillen en het duurt niet lang voordat de tranen over zijn rode konen biggelen. ‘Mijn mama, kan zij dat ook?’

‘Jazeker, misschien kan je haar dat vertellen. Jullie kunnen iedere dag met hem praten, voordat je gaat slapen.’

‘Mag ik daar ook bijzijn’? smeekt Fleur.

‘Ja zeker, je moet er juist bij zijn.’ Door haar tranen heen verschijnt een brede lach, waardoor de man zijn hart een sprongetje maakt.  

‘Hoor je dat, Valentijn? We kunnen gewoon met papa praten,’ jubelt ze, waarna ze meteen van het bankje afspring en haar broertje met zich meetrekt. 

‘Maar waar zijn we dan?’ vraagt Valentijn en kijkt hulpeloos om zich heen, maar dan ineens horen ze een bekende stem.

‘Fleur, Valentijn? Waar zijn jullie nou toch?’ De wanhopige stem komt dichterbij en dan ziet ze haar kinderen staan.

‘Oh, mijn lieve schatjes. Waarom zijn jullie gaan skelteren in een zandstorm?’

‘Mama, we kunnen met papa praten,’ roept Valentijn uit, ‘dat heeft die meneer daar ons verteld.’ Hij wijst, maar er is niks meer te zien.

‘Ik was zo ongerust. Ik was bang dat ik jullie ook kwijt was,’ snikt mama en ze pakt haar kinderen stevig  beet.

‘Ik weet het zeker,’ fluistert hij tegen zijn grote zus, ‘wij waren in de hemel.’

Spaanse Liefde - Emmie de Vries

16 augustus 1936

‘Ik ben verliefd, Cyrano.’ Met een gelukzalige blik in zijn ogen ligt Quichot naast me. Loom kauwt hij op een grasspriet. We liggen in het gras ergens halverwege de weg van Badajoz naar Sevilla. Na de bombardementen op Badajoz een paar dagen geleden, die we op wonderbaarlijke wijze allebei overleefd hebben, besloten we samen naar huis te lopen, naar Andalusië. Als officier en commandant in het Spaanse leger was het onze plicht de overblijfselen van onze regimenten bij elkaar te vegen en ons te melden Madrid. Maar er was niemand over van onze mannen, iedereen was dood of gevlucht.

 

Vier jaar geleden leerde ik Quichot kennen. We moesten ons op dezelfde dag melden voor het Spaanse leger en zochten steun bij elkaar die eerste dagen. Vanaf dat moment ben ik verliefd op hem. Niet dat ik dat meteen wist trouwens. Of eigenlijk wilde ik het niet meteen toegeven. Maar na een verlof waarbij we samen de stad ingingen en dronken werden kon ik er niet meer onderuit. De drank maakte me overmoedig en ik besloot hem te kussen als ik de kans kreeg. Met het laatste restje verstand wat nog in mij zat heb ik mezelf ervan weerhouden.

Hoewel we in die vier jaar onze plicht hebben gedaan en snel zijn opgeklommen tot onze huidige rang, hebben we het allebei nooit echt naar onze zin gehad in het leger. Al toen we een maand geleden te horen kregen dat wij in Badajoz moesten blijven terwijl het grootste deel van de daar gestationeerde legeronderdelen naar het veel veiligere Madrid werden overgeplaatst, bespraken wij de mogelijkheden om naar huis terug te keren. En nu zijn we dus onderweg.

 

Quichots woorden doen me pijn, maar daar heeft hij duidelijk geen idee van.

‘Wat fijn voor je,’ weet ik uit te brengen. ‘Is ze mooi?’

Geen idee waarom ik dat vraag. Ik wil niet weten hoe fantastisch het meisje is waar hij zijn oog op heeft laten vallen. Hoe mooi hij haar vindt, hoe hij naar haar verlangt. Maar hij is zo prachtig zoals hij daar in het gras ligt. De zon schijnt door de takken van de boom waaronder we zijn gaan liggen en tekent figuren op zijn gezicht. Dat gezicht waar ik zoveel lange uren naar heb gekeken. En die dromerige blik. Als ik vanavond ga slapen zal ik die weer voor me zien en doen alsof die voor mij bestemd was.

‘Die ogen, Cyrano, en die mond. Ik blijf er aan denken.’

Ik knik, wat kan ik zeggen. Al maanden zoek ik naar het juiste moment om mijn vriend te vertellen over mijn gevoelens, maar ik heb dat moment nog niet gevonden. Ik wil onze vriendschap niet op het spel zetten. Bovendien ben ik bang voor de gevolgen als de liefde wel wederzijds is. In ons katholieke en conservatieve Spanje wordt de mannenliefde niet geaccepteerd. Sterker nog, het bestaat er niet.

Mijn ouders kan ik het niet vertellen. Ik weet vrij zeker dat ze me zullen verstoten als ze er achter komen.

‘Maar waar heb je haar dan ontmoet?’ De afgelopen tijd zijn we bijna elk moment samen geweest. Misschien is hij ’s nachts, terwijl ik sliep, de stad in gegaan.

‘Een paar jaar geleden. Maar ik realiseer me pas nu dat ik verliefd ben.’

Ik zucht. Wat een kwelling. Ik moet een eind maken aan dit gesprek anders zeg ik dingen die ik beter niet kan zeggen.

‘Weet ze het?’ vraag ik.

‘Geen idee.’ Hij draait langzaam zijn gezicht naar me toe en kijkt me recht aan.

‘Weet je het?’

Nog meer mooie verhalen? Klik hier voor de finalisten