UITSLAG SCHRIJFWEDSTRIJD
er waren 3 finalisten &
3 verhalen met een eervolle vermelding

fOTO'S: kEN sTOFFELS FOTOGRAFIE

 MET Z'N 2EN OP REIS

Het was moeilijk kiezen, dat kan ik je verzekeren. Deze eerste schrijfwedstrijd, Met Z’n 2en Op Reis, had 15 inzendingen en het waren stuk voor stuk prachtige verhalen. Schrijvers waren buiten hun comfort zone gegaan, sommigen hadden zich laten inspireren door het nieuws, door iets in hun leven of door hun rijke fantasie. Het leverde juweeltjes op. En omdat er zoveel mooie verhalen waren, zijn er naast de drie finalisten ook drie andere verhalen die zeker het lezen waard zijn. Zij krijgen een eervolle en speciale vermelding omdat ze ontroerden en verrasten.

Nu had de jury (ik, dus) beloofd niet te veel op techniek te jureren, maar meer op de verhalen zelf en ik ben maar wát trots op alle de schrijvers die hebben meegedaan.

Want ga er maar aan staan: je krijgt 2 personages toegestuurd, hun relatie en hun reisbestemming. Daarmee schrijf je in minder dan 750 woorden je verhaal. En wie verzint jouw reisbestemming? Nou, een andere deelnemer.

Op 13 maart kwamen de deelnemers samen en het werd een geweldige middag waarbij de verhalen werden uitgewisseld - letterlijk; want wie de personages had verzonnen, kreeg het geschreven verhaal van de auteur zelf in de handen gedrukt. Zo ontstonden er inspirerende gesprekken en een heerlijke middag.

De winnaar van de Met z'n 2en Op Reis-Prijs is

 

Blind Date van Dennis Vorst

Rebecca heeft zich genesteld in de nis van Jaspers’ schouder, haar hoofd rust op zijn borst en met haar hand kroelt ze door het weinige haar dat in onregelmatige plukken op zijn borst groeit. Door de kier van de gordijnen valt een scherf zonlicht op de muur van de hotelkamer.

‘Fijn he, zo’n weekend naar Texel?’ Jasper humt instemmend. Ze sluit haar ogen en haar gedachten dwalen af naar de ruzie die ze gisteren met haar vriendin had. De vriendin die haar aan Jasper koppelde omdat het zo’n leuke collega was en die in geuren en kleuren wilde weten hoe de blind date gegaan was. De vriendin die haar gevraagd had hoe ze zo stom had kunnen zijn toen Rebecca haar vertelde dat ze nog diezelfde avond met hem mee naar huis was gegaan.

Ze had geen tijd gekregen om antwoord te geven, een ongeduldige auto claxonneerde vanaf de straat.

‘Hij is er al,’ had ze gezegd.

‘Wie is er al?’

‘Jasper, we gaan een weekend naar Texel.’

‘Ga je niet een beetje vlug?’

Het antwoord op die vraag wist ze wel maar ze antwoorde niet. Als het goed voelt, voelt het goed. Met Jasper voelde het goed.

Ze stapte in de auto en nog voordat ze de straat uit waren, bromde haar mobiel. Ze wilde er niet naar kijken. Het bericht zou het luchtkasteel uiteen doen spatten en haar weer terug de werkelijkheid in duwen. Een werkelijkheid waar ze een heel lang weekend heel ver weg van wilde blijven.

Voordat ze naar huis zouden gaan zou ze er met Jasper over praten, hem het heuglijke nieuws vertellen, hij zou het begrijpen, hij zou haar in zijn armen nemen en haar knuffelen, hij zou haar zeggen dat zij hem heel gelukkig maakt.

‘Ben je nerveus?’ Jasper had naar haar hand gekeken waarmee ze het kruisje om haar hals ronddraaide, iets dat ze wel vaker in gedachten deed. Ze liet het kruisje los en legde haar handen in haar schoot.

‘Nee, een beetje opgewonden misschien.’ Hij glimlachte en legde zijn hand op haar been en ze voelde zijn warmte.

Dezelfde warmte die ze hier in dit bed in een hotelkamer op Texel voelt. Jasper draait zich naar haar toe, kust haar en zegt: ‘Zullen we gaan ontbijten, en dan een stukje gaan wandelen?’

‘Dat is goed, maar ik wil eerst even douchen.’ Ze gaat zitten op de rand van het bed en reikt naar de telefoon op het nachtkastje, toucheert het toestel waardoor het display oplicht. Meteen trekt ze haar hand weer terug, maar ze heeft het bericht al gelezen: ‘wil hij eigenlijk wel kinderen?’.

Ze draait het toestel met het beeldscherm naar beneden. Wanneer ze over haar schouder naar Jasper kijkt, vangt ze zijn blik.

‘Zo terug,’ zegt ze en stapt uit bed, pakt haar toilettas en stapt de badkamer in.

De douche is heet en aangenaam, roerloos staat ze er onder en draait het kruisje rond. Misschien doet ze er wel niet verstandig aan en misschien gaat ze wel te snel en misschien wil hij helemaal geen kinderen maar het idee dat er iets kleins en wonderlijks in haar groeit, een nieuw leven, een klein mens, vervult haar met geluk.

 

Rebecca zit op de rand van het bed wrijft haar haar droog, in de badkamer hoort ze het geluid van stromend water. Plots licht het display van haar telefoon op: ‘En? Hoe reageerde hij?’

 

Rebecca staat voor de lift en drukt op het knopje. Jasper loopt achter haar langs en terwijl hij dat doet plaatst hij zijn hand op haar onderrug. ‘Je neemt toch voor die twee etages geen lift?’ Zachtjes duwt hij haar in de richting van de trap. ‘Lopen is veel gezonder.’ Ze kijkt naar hem op en ze wil hem zeggen hoe fijn ze het vindt met hem.

‘Dames eerst.’ Zegt hij tegen haar en hij glimlacht. Maar ineens ziet ze iets in zijn gezicht veranderen. Alsof er heel even kortsluiting is in zijn gezicht. Meer tijd krijgt ze niet om er over na te denken.

‘Dames eerst,’ zegt hij tegen haar.

Maar de druk van de hand op haar rug wordt steviger en steviger en ineens staat ze op het punt haar balans te verliezen,. Haar handen zoeken naar houvast en om te voorkomen dat ze valt wil ze haar been een stap naar voren zetten. Maar die enorme wandelschoen van Jasper staat in de weg.

Dan is ze met beide benen van de wereld los en stort ze voorover het trapgat in.

JURYRAPPORT

Van het winnende verhaal van de Schrijfwedstrijd Met z’n 2en op Reis-prijs

 

Bij het jureren had de jury (ik dus) beloofd meer op de originaliteit, de vindingrijkheid en de creativiteit te jureren dan op de techniek. Dat was in het geval van het winnende verhaal niet nodig, want Dennis heeft in minder dan 750 woorden een verhaal verteld waarin een ontwikkeling te zien is. Maar belangrijker is dat de lezer alle ruimte krijgt om zich een eigen beeld te vormen omdat de schrijver knap leunt op belevenissen die we allemaal gehad hebben. Hoe het voelt om in iemands kom van de schouder wakker te worden of hoe je je voelt als je prille liefde je ophaalt. Het is Dennis gelukt om de lezer geen verhaal voor te leggen, maar een ervaring te laten beleven. Dát is het knappe van het verhaal.

 

De meerdere lagen die in het verhaal zitten maken dat het het ene moment romantisch, het andere moment spannend is en op het laatst belandt de lezer in de voorkamer van een horror. Tussen die 749 woorden zit, kortom, een heel roman.

De personages worden aan de hand van hun relatie gedefinieerd alhoewel we alleen Rebecca´s perspectief zien. We weten wie Rebecca is, hoe zij denkt, wat ze voelt na één enkele bladzijde al herkennen we haar gefriemel aan haar kettinkje.

Het verhaal is beeldend geschreven waardoor we meekijken en de geluiden van de douche en het mobieltje horen. De eerste zin is al even pakkend als de laatste. Juweeltjes zijn de beschrijvingen van het lichtspel in de hotelkamer (er ´valt een scherf zonlicht op de muur´) en het ‘hummen’ wat een personage doet als hij in bed ligt met de hoofdpersoon. Dat laatste lijkt een brug te slaan naar de bloemetjes en de bijtjes, waar het verhaal over lijkt te gaan. Maar eigenlijk draait het verhaal om het verschil in beleving van de twee hoofdpersonen, alhoewel daar geen woord aan wordt vuilgemaakt. En intussen is het de lezer die in zijn herinnering teruggegaan naar een nieuwe liefde en naar de vlinders in de buik. We worden tenslotte bruut wakkergeschud met een plot dat lijkt op een verhaal van Stephan King. Op Texel, dan.

 

Daarom feliciteert de jury (ik dus) Dennis Vorst met de Eerste Prijs van de Eerste Schrijfwedstrijd Met z’n 2en op Reis.

Amsterdam, 13 maart

Elena Benvenuti

De Prosecco prijs ging naar 

Een laatste Reis van Danique van der Rijt - de Ridder

Hij had er over gefantaseerd sinds hun eerste ontmoeting, nu zo’n drie maanden geleden. Gijsbrecht Behr, vijfentachtig jaar en één meter van hetzelfde lang, kreeg zijn bijnaam diezelfde dag. Hij had de eerste weken in huize Dorestad vooral doorgebracht voor het grote raam in de woonkamer, starend naar de kinderen die voetbalden aan de overkant van de straat. Hij voelde zich zo oud, zo kreupel, als hij naar ze keek. Maar hun aanblik maakte ook een bijzondere hoop in hem los. Hoop dat hun levens beter zouden zijn dan het zijne.

En hoewel dat voor hem genoeg was, en hij bereid was geweest in de stoel voor dat raam te sterven, zou zijn leven in mei van dat jaar een bijzondere wending krijgen. Het regende kletterende druppels toen Paul de Vos naast hem in een stoel kwam zitten. Net zulke witte lokken, maar zeker een jaar of vijf jonger en kromgebogen maar één meter vijftig hoog.

Eerst zeiden de mannen niets, ze staarden beiden naar de Hollandse lente zoals ze er zovelen hadden gezien. Het duurde dan ook even voor Gijsbrecht doorhad dat de man naast hem zich had gedraaid en doordringend zijn kant uit keek.

‘Heb ik iets van je aan?’ vroeg hij nors.

Paul grijnsde breed en wreef even door het witte vlassige haar dat zijn schedel bedekte. ‘Behalve dit kapsel niet denk ik,’ zei hij, en Gijsbrecht kon het niet helpen, maar zijn mondhoeken krulden vanzelf omhoog.

Ze spraken de hele middag. Over de oorlogen die ze hadden bevochten, uiteraard, en over de vrouwen uit hun leven, over de steden waarin ze gewoond hadden en de plaatsen die ze hadden bezocht. Op de achtergrond hoorden ze de zusters vriendelijk giechelen. Een van hen bracht koffie en legde een hand op Gijsbrecht zijn schouder.

‘Meneer de Vos en Meneer Behr’, zei ze en ze knipoogde, ‘dat is nog eens een bijzondere vriendschap in wording.’

‘Poolvos’, verbeterde Paul haar en hij haalde nogmaals een hand door zijn dunne witte haren, ‘en IJsbeer.’

De zuster lachte, en vanaf dat moment was Gijsbrecht meneer IJsbeer. Hij droeg de naam met trotst, want wie had gedacht dat hij zo laat in zijn leven nog een nieuwe zou krijgen. Het gaf hem een hernieuwde energie, een hoop die meer was dan die voor de jongens op het veldje, een hoop voor zichzelf.

De maanden daarna spraken de mannen elkaar elke dag. Eerst over vroeger, maar terwijl de zomer langzaam het land in trok, begonnen ze ook te fantaseren over het heden.

‘Als er één land is waar ik altijd van gehouden heb Paul, dan is het Italië.’ Hij richtte zijn handen naar de hemel ‘Altijd zonnig, heerlijke wijn, verrukkelijk eten. Ja, als ik nog eenmaal op reis kon gaan dan was het daarheen.’

Paul knikte, ‘Ja Toscane, dat lijkt me fantastisch.’ Hij knipte met zijn vingers om de zuster te wenken, alsof hij een ober om de kaart vroeg. ‘Lieverd, zou je voor ons een afspraak bij een reisbureau kunnen maken, we willen op vakantie.’

Maar de zuster lachte enkel, net als de andere zouden doen. De andere bewoners smiespelden zachte roddels en hun kinderen deden niks anders dan grimassen. Alsof het een aandoenlijk maar onmogelijk plan was van twee seniele heren.

Verontwaardigd was Paul naar zijn kamer gebeend met schuifelende pasjes. Hij kwam terug met een stalen blikje. Op de voorkant ervan was de zee te zien. Normandië misschien, of Dover. Gijsbrecht keek terwijl Paul het voorzichtig opende.

‘We gaan het doen IJsbeer, of we er nu dood bij neervallen of niet,’ en met een brede lach toonde hij hem de inhoud, ‘ontsnappingsgeld.’

Gijsbrecht knikte. In zijn maag kronkelde zenuwen zoals hij ze in jaren niet gevoeld had. Er groeide een geluk in zijn binnenste, een verlangen naar zon en pasta, wijn en cappuccino. In zijn kleine kamer pakte hij alleen het nodige en die avond vertrokken ze.

‘Even wandelen,’ zei Paul terwijl hij naar de zuster achter de balie wuifde. De vrouw keek kort hun kant op, zonder argwaan, zonder vermoeden, dat deze twee kuchende oude mannen vandaag zouden ontsnappen. Voor de laatste keer gingen ze op reis.

Wat er daarna met hen gebeurd is weet niemand. Het verhaal zou nog tijden leven onder de zusters van huize Dorestad. Als ze samen een borrel dronken op vrijdag middag dan fantaseerde ze over de IJsbeer en de Poolvos, op een zonnig terras aan de Italiaanse kust. Een reis naar helder wit zonlicht, een reis waarvan ze nooit zouden terugkeren.

een gedeelde plaats met

Onderzoek van Marc Commandeur

Het vliegtuig komt tot stilstand bij een rode sportwagen. De piloot laat voor hem de deur zakken. Hij daalt de trap af en stapt op de droge grond. De piloot komt vlak achter hem aan. Hij loopt om hem heen en beent op de rode sportwagen af. Er volgt een heftig gesprek in het Russisch tussen de piloot en de bestuurder.

Na een korte stilte stapt de bestuurder uit. Hij komt op hem af en vraagt: “Jorrit, heb jij dat geld op zak? Ik zou de piloot betalen vandaag, maar ik ben mijn geld vergeten. Betaal jij hem even. We verrekenen het zo.”

Overdonderd, graait Jorrit in zijn rugzak. “Hoeveel eigenlijk, Tim?”

“Ehh, even denken. Een week, plus zijn overuren vandaag… 40.000 Roebel moet genoeg zijn.”

“Ik vind het een beetje vreemd. Krijg ik daar een bonnetje van?”

“Een bonnetje, een bonnetje? Nee joh, dat verrekenen we straks met de rest.”

Jorrit telt acht briefjes van zijn bundel en geeft die de piloot. “Спасибо,” zegt deze en reikt hem zijn koffer. De piloot kijkt hem even diep in zijn ogen. Nadrukkelijk zegt hij: "До следующей недели." Zonder een verder woord haast de piloot zich weer terug het vliegtuig in.

"Ja, jij ook tot volgende week," mompelt Jorrit.

 

Het toerental van de straalmotoren stijgt. Gierend rijdt het toestel weg richting de geïmproviseerde grasstrip.

"Hi, Jorrit. Wat fijn dat je er bent."

Jorrit draait zich om. Tim staat met uitgestrekte hand achter hem. “Tim, wat een raar ontvangst, maar eindelijk!” Hij ontwijkt Tim zijn hand en omhelst hem. “Waarom heeft dit zo lang moeten duren?” fluistert hij in zijn oor.

“Druk, druk, druk, Jorrit. Maar, daar ben ik niet alleen debet aan. Mijn uitnodiging staat al langer, dus...”

“Zeker Tim, maar ik kon mijn vrouw en kinderen ook niet zomaar alleen laten. De planning is elke week zo strak. We werken allebei, school, huiswerkbegeleiding, paardrijden, sport, clubjes en dan het huishouden nog.”

“Smoesjes. Deze week lukt het toch ook? Dat had eerder ook gekund.”

“Toen wist mijn moeder het nog niet. Zij was bereid op de kinderen te passen, zodat ik weg kon.”

Tim schrikt op. “Je moeder?

Maar hoe kon je haar in vertrouwen nemen?

Wat weet ze?

Wat heb je haar verteld?

Jorrit kijkt naar de grond. “Nou ja, zoveel mogelijk de waarheid.” Hij kijkt Tim recht in de ogen en zegt: “Ik kom je helpen met het onderzoek naar de vroegere opruimacties hier op Vozrozdheniya.”

“En de leden van onze chatgroep, wat weten die?”

“Niets, niets, alleen van het onderzoek. Niets over ons verder.”

“Dat is fijn...

Mocht de komende week goed verlopen, dan zien we wel weer verder.” Tim slaat zijn arm om de schouder van Jorrit en zoent hem op zijn wang. “Kom, laten we naar huis gaan. Het wordt al wat donkerder en ik krijg honger, jij vast ook. Katarina, mijn huishoudster, zal haar borsjtsj gemaakt hebben.”

 

Jorrit loopt de kamer in en kijkt wat rond. Katarina dekt de tafel.

“Let niet op de troep,” roept Tim, “Katarina moet haar werk nog doen, maar als ik het zo ruik, is haar borsjtsj klaar. Lekker!”

Het is inderdaad een rommeltje. Gelezen kranten liggen op de vloer, binnenste buiten gedraaide kleren op een hoopje op de bank, een onderbroek op de rugleuning, de remsporen duidelijk zichtbaar. Naast de bank ligt een pakje Marlboro. Hij raapt het op.

Katarina komt snel op hem af. Ze neemt hem het pakje af en fluistert: “Он не курит. Ты не один.”

Jorrit fronst. Hij kijkt Katarina aan, tilt zijn hoofd en heft zijn linkerschouder. “Wat bedoel je met hij rookt niet?” vraagt hij in het Russisch. “En hoezo ben ik niet de enige?”

Katarina legt haar wijsvinger op haar lippen.

“Je geld is weg. In de kluis.

Morgen ben je dood.

Tim verhuist.

Ik moet mee.

Mijn kinderen.

Vlucht. Vannacht.

Buiten, de witte auto, mijn auto.

Hier, de sleutel.”

Uit haar schort vist Katarina een sleutel.

 

“Zo Jorrit, ons geld ligt in de kluis.” Tim komt ook de kamer in. “He, waarom zie je zo wit? Heb je een spook gezien? Katarina is dan wel een vrouw, maar ze is toch niet zó lelijk?”

Nog meer mooie verhalen? Klik hier voor de verhalen met een eervolle vermelding